Legende
Na het milieu te hebben getekend en de mentaliteit van de acteurs te hebben geschetst, zullen wij trachten de tamelijk recente evolutie van dit feest – het meest zuiver populaire van het oude Brussel – weer te geven en, zolang dit nog mogelijk is, te bestuderen hoe het zich aanpast aan dit nieuwe kader, aan een nieuwe stand van zaken, die zoniet de afschaffing, dan toch een radicale wijziging ervan zou kunnen meebrengen. Over zijn oorsprong weten wij niets positiefs.
Een Sint-Laurentiusgilde bezat in de Zwaenepoel – m.a.w. ongeveer in de huidige Sint-Laurensstraat – een bidkamer, gewijd aan haar beschermheilige. Hertog Jan III voegt deze gilde bij de grote schuttersgilde en de beschikking wordt in 1381 bekrachtigd door een keure van Wenceslas en Johanna..

In 1597, in 1635 en in 1648 machtigt de Rekenkamer de inwoners van de Broekwijk een meiboom te nemen uit het Zoniënwoud. In 1653 doet zich bij het opstellen een ongeval voor ; de boom valt op de verlieden die hem aan het rechtzetten zijn en verplettert er drie. In het begin van de 18de eeuw wordt de gewoonte ongetwijfeld goed nageleefd, vermits een Brussels burger het waard acht in zijn Memorieboek te noteren dat de Meiboom in 1725 niet geplant werd.
Tenslotte zou men volgens de getuigenis van een tijdgenoot, kort na 1830 op het punt hebben gestaan, omwille van de economische toestand, dit gebruik op te geven, indien enkele oude vrouwen hiertegen niet in opstand waren gekomen. Wauters vermeldt dat hun houding voortvloeide uit het belang dat het volk hechtte aan de planting van de Meiboom, aan dit voorrecht van de Brusselaars dat ze zouden verliezen ten gunste van de Leuvenaars zo de plechtigheid niet plaatsgreep op de gestelde dag en voor het gestelde uur. Men vindt hier de eerste vermelding van het « voorrecht » en van een straf bij niet-uitoefening ervan.
Doch het is niet omdat men de oorsprong van een gewoonte niet kent of vergeten is, dat men ze niet langer in acht neemt. De gesteldheid tegenover een gewoonte wordt haar beoefenaars niet ingegeven door historische redenen, doch door de idee die zij zich over deze gewoonte gevormd hebben. Zij geven hiervoor de legendarische verklaringen die hun het best passen en die verschillen, naargelang van de individuen en tijdstippen.
De planting van de Meiboom op de vooravond van Sint-Laurentius is, op zichzelf genomen, niet verwonderlijk. De mei werd niet alleen geplaatst op de eerste dag van de meimaand ; hij werd ook, als één der oudste vormen van collectief huldebewijs van een gemeenschap, op om het even welk tijdstip van het jaar geplant voor de woning van de notabelen en voor kerken of kapellen, op de feestdag van de beschermheilige.
Het is geloofwaardig dat de meiboom op Sint-Laurentiusdag werd geplant door de gelijknamige gilde. Doch wat met zekerheid zou dienen vastgesteld is de verplichting de mei te planten om niet van dit voorrecht beroofd te worden ten gunste van een andere stad.
De traditionele verklaringen maken deze vaststelling echter niet mogelijk. Volgens een historische sage zou hertog Jan III het vorrecht der Meiboomplanting aan de Brusselaars hebben verleend ter herinnering aan een overwinning die zij op de Leuvenaars hadden behaald. Doch, volgens professor K.C. Peeters die deze legende verhaalt, wordt daardoor wel de naijver der Leuvenaars begrijpelijk, doch niet het verband met Sint-Laurentius. Genoemde folklorist haalt ook een andere versie aan.

Volgens de overlevering trouwde in 1141 een Leuvens edelman met een volksmeisje uit de buurt der Zavel- en Broekstraat.
Om de herinnering aan zijn – o, zo gelukkig – huwelijk levendig te houden, schonk de edelman (die Laurentius heette !) een som geld om op Sint-Laurentiusdag feest te vieren en een Meiboom te planten. Doch het gebeurde, dat een hevige twist ontstond tussen het echtpaar. De Brusselaars kozen de partij van het meisje en de Leuvenaars namen het op voor de edelman. De verzoening volgde en de Meiboom werd dat jaar geplant met meer vreugde dan ooit. De Leuvenaars bleven echter wrokkig en nu nog behouden zij zich het recht voor de populier binnen hun muren te planten, indien hij de 9de augustus voor vijf uur s’avonds te Brusel niet opgericht is.
Tenslotte zou, volgens de Société Royale des Compagnons de Saint-Laurent, die beweert opgericht te zijn in 1311, opnieuw samengesteld in 1880 en door de stad Brussel officieel erkend in 1883, de Meiboomplanting dateren van 1213, vermits Brussel dat jaar de overwinning behaalde op Leuven. Op dat tijdstip bezochten de Brusselse burgers, met een zekere voorliefde de buiten de stad gelegen « schuren » of herberg, waar de lambic goedkoop was omdat hij er niet aan gemeentetaksen onderworpen was. Een Brussels trouwfeest was volop aan de gang in een der « schuren » van de Swaenepoel, de Kattenberg, toen de feestvierders door Leuvenaars werden overvallen en door de gezellen van Sint-Laurentius werden gered.
Als beloning hiervoor, voegde hertog Jan de gilde met de grote schuttersgilde samen.
« Les membres de la gilde de Saint-Laurent entrent de plein droit dans le serment en qualité de sociétaires de la corporation civile. A ce titre, le droit de planter le Meiboom leur fut accordé ». Zij zouden echter dit recht pas in 1308 voor de eerste maal uitoefenen. Toen de gilden i het jaar VIII ontbonden werden, zetten de inwoners van de buurt de traditie voort. Deze geschiedenis, wel heel vleiend voor de Gezellen, is, dient dit nog gezegd, slechts een naïeve en uiterst gedurfde aanpassing van een traditie, vermeld door A. Wauters over de oorsprong van de grote gilde ; volgens deze overlevering zouden niet de Leuvenaars doch wel 100 Gentenaars de aanvallers zijn geweest.




